van Kessel et al. 2026. Redeneerlijn slib
Voor het beoordelen van de milieueffecten van zandwinning op zee is inzicht nodig in de keten van slibvorming, slibtransport en de effecten daarvan op de ecologie. Bij de MER Zandwinning 2018-2027 is hiervoor een slibmodel ontwikkeld. Voor de nieuwe MER-periode 2028-2037 is onderzocht of nieuwe modelberekeningen nodig zijn. De voorliggende redeneerlijn beschrijft welke nieuwe inzichten beschikbaar zijn en wat deze betekenen voor de beoordeling van de slibbelasting en de ecologische effecten.
Een belangrijk nieuw inzicht is dat niet al het vrijgekomen slib tijdens zandwinning in de waterkolom terechtkomt. Naar schatting blijft ongeveer 30% van het slib achter in de beun van het winningsschip of daalt direct neer binnen de winput zelf. Hierdoor wordt de effectieve slibbelasting verlaagd van circa 100% naar ongeveer 70% van de eerder gehanteerde bronterm. Dit kan betekenen dat eerdere berekeningen een overschatting van de slibemissie bevatten.
Tegelijkertijd zijn er factoren die juist kunnen leiden tot een hogere slibbelasting. Zo kan winning in bestaande zandwinputten opgeslagen slibrijke sedimentlagen verstoren. Ook kunnen sedimentatie van slib en de aanwezigheid van slibrijke baggerspecie in putten invloed hebben op de hoeveelheid vrijkomend slib. Daarnaast wordt aandacht gevraagd voor de mogelijke bijdrage van lokaal neergedaald slib wat door stormen kan worden omgewoeld waardoor het voor langere tijd extra vertroebeling kan veroorzaken.
De redeneerlijn concludeert dat de noodzaak voor nieuwe modelberekeningen vooral afhankelijk is van de resultaten van aanvullend geologisch onderzoek. Wanneer de nieuwe bronterm binnen de bandbreedte van de vorige MER blijft, kunnen de bestaande scenario’s in principe worden hergebruikt. Indien de bronterm daarbuiten valt, kunnen oude conclusies niet 1 op 1 worden overgenomen. Daarbij moet niet alleen worden gekeken naar de totale hoeveelheid slib, maar ook naar de verdeling over wingebieden en in de tijd.
Belangrijke onzekerheden blijven bestaan rond de valsnelheid van slibdeeltjes en de achtergrondconcentratie van zwevend stof. Daarom wordt aanvullend onderzoek aanbevolen en wordt geadviseerd de gebruikte achtergrondconcentraties te toetsen aan recente meetgegevens en satellietwaarnemingen. Hiermee kunnen de betrouwbaarheid van de milieubeoordeling en de onderbouwing van toekomstige MER-procedures worden verbeterd.