Ontwikkeling vogelmodellen: stand van zaken na één jaar
Sinds 2025 loopt er in opdracht van MONS en Wozep een 5-jarig onderzoeksproject naar de doorontwikkeling van modellen voor de inschatting van de effecten van offshore-windparken op kust- en zeevogels. Een consortium van onderzoekers van Wageningen Marine Research en Waardenburg Ecology richt zich voor dit project op het kwantificeren van vogelaanvaringen met turbines, de gevolgen van habitatverlies, en ecosysteemveranderingen. Daarbij nemen ze zowel het mogelijke effect van de transities op de Noordzee als de gevolgen van klimaatverandering mee in hun beschouwing. Hoe staat het met het project na één jaar onderzoek?
Een toename van windturbines op zee brengt risico’s voor kust- en zeevogels met zich mee. De grootste risico’s zijn op aanvaringen en op habitatverlies. Aanvaringen met windturbines op zee zijn lastiger in kaart te brengen dan op land; er zijn immers weinig tot geen observaties van aanvaringen op zee en je ziet geen dode of gewonde vogels op de bodem onder de turbines. De observaties die we wel hebben, en de modellen die we tot nu toe gebruiken, doen vermoeden dat elk jaar verscheidene zeevogelsoorten slachtoffer zijn van aanvaringen. Ook habitatverlies kan tot extra sterfte leiden, maar ook dit effect is moeilijk te kwantificeren zonder modellen. Sommige zeevogels vertonen een sterke vermijdingsrespons van gebieden met windturbines, en verliezen daardoor toegang tot een deel van hun habitat, en daardoor ook tot de vis die ze eten. Als deze vogels minder kunnen foerageren, of verder moeten vliegen of zwemmen om te foerageren, kunnen ze in slechtere conditie raken, bijvoorbeeld door minder vetreserves op te bouwen, waardoor ze minder kans hebben om de winter te overleven. Verder kunnen er ook indirect - door ecosysteemverandering - negatieve gevolgen zijn voor kust- en zeevogels. Deze verschillende effecten worden in eerste instantie in zowel simpele als complexe modellen vertaald, en ook wordt onderzocht hoe alle effecten kunnen worden opgeteld. Het samenbrengen van de verschillende verwachte effecten geeft een goed beeld van de effecten van toekomstige scenario’s van de uitrol van wind op zee op kust- en zeevogels.
Vlieghoogte en vogelflux
In het eerste jaar hebben de onderzoekers van Waardenburg Ecology voor de aanvaringsmodellen vooral de onderliggende vlieghoogteverdelingen van vogels - die de kans bepalen of een vogel op rotorhoogte vliegt - in meer detail onderzocht. Dit om beter inzicht te krijgen over het daadwerkelijke gedrag en aanvaringskans in het park. Daarnaast is er een onderzoek gestart naar het verband tussen het aantal vogels dat op zee aanwezig is en de vogelflux, oftewel het aantal vogels dat in een bepaalde tijd een denkbeeldige lijn voorbijvliegt.
Energiereserves
De onderzoekers van Wageningen Marine Research hebben een eerste versie van een bio-energetisch model ontwikkeld voor de zeekoet. In dit model worden de overleving en reproductie van een individuele vogel gekoppeld aan zijn energiereserves; als de vogels te weinig voedsel kunnen vinden om in energie om te zetten of als ze te veel energie kwijtraken om windturbines te ontwijken, kunnen ze verhongeren. Daarmee is het model bij uitstek geschikt om indirecte effecten op overleving, zoals habitatverlies, te onderzoeken. Een dergelijk model wordt binnenkort ook voor de jan-van-gent ontwikkeld. Beide soorten zijn geselecteerd omdat op basis van huidige kennis wordt verwacht dat deze soorten effecten van wind-op-zee zullen ondervinden: de zeekoet door habitatverlies en de jan-van-gent door zowel habitatverlies als aanvaring. De toepassing van deze modellen vereist inzicht in de voedselbeschikbaarheid voor de vogels. Data en methoden om dat in kaart te brengen worden nu onderzocht.
Advies voor vervolg
Het vogelmodellenproject heeft connecties met andere MONS- en Wozep-projecten, zoals het modellentrein-project van het thema ecosysteemeffecten, het vismodellen-project, het vogeldieetonderzoek, en andere geplande veldonderzoeken. Het team dat aan de vogelmodellen werkt zal adviseren over welke kennis over vogels en windparken op zee nog ontbreekt om deze modellen verder te verbeteren.