Rozemeijer et al. 2026. Een review van de ecologische effecten van zandwinning
Dit rapport biedt een overzicht van de ecologische effecten van zandwinning in de Noordzee op basis van wetenschappelijke literatuur en onderzoeksrapporten uit de afgelopen vijftien jaar. Het doel is om de milieueffectrapportage (MER) voor zandwinning te ondersteunen met actuele kennis over de belangrijkste ecologische risico’s en effectmechanismen. Daarbij is gebruikgemaakt van onder andere resultaten uit het Monitoring- en Evaluatieprogramma Zand uit Zee van Rijkswaterstaat en stichting LaMER.
De analyse laat zien dat de belangrijkste ecologische gevolgen van zandwinning niet zozeer samenhangen met directe sterfte van organismen, maar vooral met veranderingen in habitats en ecosysteemfuncties. Zandwinning beïnvloedt het Noordzee-ecosysteem doordat de bodem wordt vergraven, sediment wordt verplaatst en lokale stromingspatronen veranderen. Omdat bodemleven, vissen, vogels en zeezoogdieren sterk afhankelijk zijn van deze fysieke omstandigheden, kunnen dergelijke veranderingen doorwerken in de gehele voedselketen.
Een van de belangrijkste risico’s is de verandering van sediment- en habitatkenmerken. Met name diepere zandwinning kan leiden tot veranderingen in stroming, slibophoping en bodemstructuur. Hierdoor kunnen grofzandige habitats veranderen in fijnere, slibrijkere systemen met andere benthische gemeenschappen. Deze veranderingen kunnen langdurig aanwezig blijven en in sommige gevallen leiden tot een permanent verlies van de oorspronkelijke habitatkwaliteit.
Een tweede belangrijk aandachtspunt betreft schelpdierbanken. Deze vormen ecologische hotspots en zijn essentieel als voedselbron voor soorten zoals de zwarte zee-eend. Het rapport benadrukt dat niet alleen bestaande schelpdierbanken beschermd moeten worden, maar ook gebieden die hiervoor geschikt zijn. Nieuwe habitatgeschiktheidskaarten laten zien waar belangrijke leefgebieden voorkomen van schelpdieren en zandspiering, een belangrijke prooisoort voor vissen, zeevogels en zeezoogdieren. De auteurs adviseren om deze kwetsbare habitats uit voorzorg zoveel mogelijk uit te sluiten van zandwinning.
Daarnaast kunnen zandwinning en het bijbehorende scheepvaartverkeer leiden tot verstoring van beschermde soorten. Vooral zwarte zee-eenden en roodkeelduikers zijn gevoelig voor menselijke activiteiten. Ook bruinvissen kunnen hinder ondervinden. Hierdoor kan zogenoemd functioneel habitatverlies ontstaan: geschikte leefgebieden blijven fysiek aanwezig, maar worden door dieren vermeden.
De studie concludeert dat bij de beoordeling van zandwinning niet alleen naar het gewonnen volume moet worden gekeken, maar vooral naar de locatie, diepte en duur van de winning. Rekolonisatie van een gebied betekent bovendien niet automatisch dat het ecosysteem volledig is hersteld. Daarom pleiten de auteurs voor toepassing van het voorzorgsbeginsel, met name voor habitats van schelpdierbanken en zandspiering. Ook adviseren zij om in toekomstige MER-procedures meer aandacht te besteden aan ecosysteemfuncties, draagkracht en cumulatieve effecten van meerdere activiteiten op de Noordzee.